De republica Hebraeorum · bronnenuitgave
Petrus Cunaeus
Pieter van der Cun · de Zeven Noachitische Geboden
Petrus Cunaeus (1586–1638), ook bekend als Pieter van der Cun, was een Nederlandse filoloog en rechtsgeleerde, verbonden aan de universiteit van Leiden. In zijn De republica Hebraeorum, voor het eerst verschenen in 1617, onderzocht hij de inrichting van de oude Hebreeuwse samenleving. Biografische bron.
Deze uitgave naar de druk van 1666 verzamelt zijn passages over de Zeven, Noach en zijn nakomelingen, voorschriften vóór Abraham en de volken buiten Israël. De kern ligt in boek I, hoofdstuk I en boek II, hoofdstuk XIX.
28 pagina’s · Nederlands / Latijn · Ronde 1 · versie 1.0, 27 september 2026
Nederlands links · Latijn rechts
De bronnen, naast elkaar
Op een klein scherm staat per blok eerst de Nederlandse vertaling, gevolgd door het Latijn. De gedrukte bladzijden en de bron-PDF-pagina’s verwijzen naar de historische scan; de uitgavepagina verwijst naar de tweetalige PDF.
Cunaeus schrijft als vroegmoderne christelijke auteur. Zijn waardering voor Joodse geleerdheid staat naast polemiek en scherpe uitspraken over oorlog. De bron en de redactionele toelichting zijn hieronder van elkaar onderscheiden.
Register van de tekstblokken
- 01 · De Zeven vóór Mosjee
- 02 · Waarom recht volgens Cunaeus noodzakelijk is
- 03 · Vredesvoorwaarden en geboden vóór Abraham
- 04 · Zes voorschriften voor de eerste mens
- 05 · Noach, het zevende voorschrift en Maimonides
- 06a · Het verbod op afgoderij en de eerste generaties
- 06b · Noach en de bewaarders van de godsverering
- 06c · Abraham en de verbreiding van de hemelse leer
- 07 · Verplichting voor Noachs nakomelingen
- 08 · Ook de zeven Kanaänitische volken kregen een vredesaanbod
- 09 · Vrede aanvaarden of oorlog kiezen
- 10 · Algemene menselijke normen en de Kanaänieten
- 11 · De bijzondere positie van Ammon en Moab
- 12 · Noach en het verbod bloed te eten
- 13 · Noachs altaar: een door Cunaeus verworpen traditie
- 14 · Noach als verkondiger van gerechtigheid
- 15 · Na de zondvloed: Noach en zijn zonen
- 16 · De lijn van Noach tot Abraham en de volken
- 17 · Shem, de zoon van Noach, en Melchisedek
01De Zeven vóór Mosjee
Boek I, I | Gedrukt: 3 | Bron-PDF: 39 · Uitgave p. 6
Nederlands
Vóór de tijd van Mosjee kende de wereld geen geschreven wetten. Hoewel het menselijk geslacht voordien zeker niet geheel zonder wetten leefde, waren deze toch noch op openbare tafelen noch in enig schriftelijk gedenkteken vastgelegd. Van dit soort waren die zeven voorschriften waarvan de Talmoedgeleerden zeggen dat zij aan de zonen van Noach gegeven waren. Zij bevatten bepaalde regels van gerechtigheid die het menselijk leven niet kon missen. Daarom strekte hun gelding zich zo ruim tot allen uit, dat de Israëlieten bevolen werd degenen die ze niet kenden in de oorlog te doden en uit de menselijke samenleving weg te nemen.
Latijn · Cunaeus
Ante Mosis tempestatem scripta jura non agnovit orbis. etsi enim antea profectò haud planè sine legibus gens hominum agitaverat; tamen neque publicis tabulis eæ, neque ullis monumentis erant consecratæ. Hujus generis septem præcepta illa fuêre, quæ Talmudici data esse filiis Noachi ajunt. ea justitiæ regulas quasdam continebant, quibus carere hominum vita nequibat. quare vis eorum tam latè ad omnes pertinuit, ut qui nescirent ea, hos interficere in bello, atque ex hominum communione tollere jussi Israëlitæ sint.
Redactionele toelichting. Nescirent is letterlijk ‘niet kenden’; de scherpere formulering over weigering van naleving staat in 07. Het citaat eindigt hier niet bij ‘allen’: ook Cunaeus’ gevolgtrekking over oorlog behoort tot de passage. Vervolg: 02.
02Waarom recht volgens Cunaeus noodzakelijk is
Boek I, I | Gedrukt: 4 | Bron-PDF: 40 · Uitgave p. 7
Nederlands
En dat was niet zonder reden. Want zij die geen enkel recht hadden aanvaard, leken schadelijker dan alle wilde dieren. Zoals Aristoteles op voortreffelijke wijze zei, is onrecht dat met wapens is uitgerust het allerergste en wreedste. De natuur heeft de mens echter met wapens toegerust: rede en verstand, waarmee hij, als men het recht wegneemt, bij uitstek verderf kan aanrichten.
Latijn · Cunaeus
Neque id sine causa fuit. omnibus enim belluis nocentiores videbantur, qui jus nullum accepissent. Utique, quod Aristoteles divinitus dixit, deterrima sævissimaque est injustitia, quæ instructa armis est. hominem autem natura cum armis edidit, ratione atque prudentiâ, quibus insigniter ad perniciem valet, jura si demas.
Redactionele toelichting. Dit is het directe vervolg van 01. Het afgebroken Ne- / que is samengevoegd. Daarna gaat Cunaeus over op de inrichting van de staat door Mosjee.
03Vredesvoorwaarden en geboden vóór Abraham
Boek II, XIX | Gedrukt: 200 | Bron-PDF: 249 · Uitgave p. 8
Nederlands
Wat de hoogste wetgever hier zegt, namelijk dat de volken die de aangeboden vrede hadden aangenomen gespaard moesten worden, moet volgens de Talmoedgeleerden op grond van een zeer oude overlevering van hun voorouders zo worden verstaan: die volken moesten bovendien de zeven voorschriften op zich nemen die vóór de gezegende tijd van Abraham aan de zonen van Noach gegeven waren. Anders had men degenen die geen godsdienst en geen eerbied voor de godheid hadden, niet in leven mogen laten.
Latijn · Cunaeus
Hic quod summus legislator parcendum illis gentibus ait, quæ oblatam pacem acceperant, ita intelligendum Talmudici ex vetustissima majorum traditione ajunt, ut insuper necesse habuerint eæ gentes suscipere septem præcepta, quæ filiis Noachi data ante beatum Abrami seculum sunt; alioquin vitam illis relinquendam haud fuisse, quibus religio nulla numinisque observantia esset.
Redactionele toelichting. De voorafgaande tekst parafraseert Deuteronomium 20 over vrede, onderwerping en oorlog. Summus legislator duidt hier op Mosjee. Cunaeus verbindt de Zeven uitdrukkelijk met volken buiten Israël.
04Zes voorschriften voor de eerste mens
Boek II, XIX | Gedrukt: 200-201 | Bron-PDF: 249-250 · Uitgave p. 9
Nederlands
De wijste Joodse geleerden zeggen namelijk dat er zes zaken waren waarover de eerste vader van de mensen een goddelijk bevel ontvangen had. Hij had uit de hemel geleerd dat de majesteit van de goddelijke naam geëerd moest worden en dat onder de mensen recht gesproken moest worden. Verder was hem verboden mensenbloed te vergieten, afgoden te vereren of roof te plegen; en ook om zich, wanneer het menselijk geslacht zich vervolgens had vermenigvuldigd, door bloedschennige huwelijken te bezoedelen. Dit zou een zekere overgeleverde leer zijn, die vanaf de tijd van Mosjee van hand tot hand aan het nageslacht is doorgegeven. Uit het stilzwijgende besef van ieder afzonderlijk, en in het algemeen uit de woorden van de Pentateuch, zou echter blijken dat deze voorschriften op die wijze aan de eerste mens gegeven waren.
Latijn · Cunaeus
Enimverò Judæorum sapientissimi ita ajunt, sex res fuisse, de quibus edictum numinis acceperit primus hominum parens. nam & cœlitus didicisse eum, celebrandam divini nominis majestatem esse, atque jura dici mortalibus debere: & rursus interdictum illi fuisse, ne sanguinem humanum funderet, neve idola coleret, aut rapinas exerceret, tum ne multiplicato mox hominum genere, incestis se nuptiis fœdaret. Atque hanc quidem esse Cabbalicam quandam doctrinam, quæ tradita posteris per manus sit ab usque Mosis seculo: cæterùm, ex tacito sensu cujusque, atque in universum ex verbis Pentateuchi manifestum esse, hæc præcepta in hunc modum data primo homini fuisse.
Redactionele toelichting. Cabbalicam is hier vertaald als ‘overgeleverde’: Cunaeus licht zelf de overdracht van hand tot hand toe. Zijn positieve formulering over het eren van Gods naam is behouden; zij is niet vervangen door een moderne lijst van zeven verboden.
05Noach, het zevende voorschrift en Maimonides
Boek II, XIX | Gedrukt: 201 | Bron-PDF: 250 · Uitgave p. 10
Nederlands
Ten slotte zou Noach door een hemelse stem zijn vermaand geen lichaamsdeel van een levend dier te eten. In Genesis staat immers geschreven: ‘Vlees met zijn ziel, die zijn bloed is, zult u niet eten.’ Zo komt men volgens hen tot zeven voorschriften, waardoor het menselijk geslacht werd geregeerd totdat aan Abraham de wet over de besnijdenis werd gegeven. De zeer geleerde Maimonides geeft de opvatting van de Talmoedgeleerden die wij hebben uiteengezet weer in de woorden die in Halacha Melachim, hoofdstuk IX, staan.
Latijn · Cunaeus
Tandem verò Noachum cœlesti voce, admonitum esse ne membrum vivi animalis comederet. Scriptum enim in Genesi esse, carnem cum anima ejus, quæ est sanguis ejus, non edetis. Ita septem præcepta confici ajunt, quibus tantisper gens mortalium regebatur, donec Abramo posita: lex de circumcisione fuit. Talmudicorum sententiam, quæ exposita à nobis est, eruditissimus Maimonides illis verbis recitat, quæ extant in Halacha Melachim, in capite IX.
Redactionele toelichting. Na deze zin volgt een lange Hebreeuwse aanhaling. Die is als facsimile A opgenomen. De ongebruikelijke dubbele punt na posita is in de Latijnse kolom behouden zoals zichtbaar in de scan. De aangehaalde Bijbelzin is vertaald uit Cunaeus’ Latijn (Genesis 9:4).
06aHet verbod op afgoderij en de eerste generaties
Boek II, XIX | Gedrukt: 202 | Bron-PDF: 251 · Uitgave p. 11
Nederlands
Voordat wij van deze uitweiding naar ons onderwerp terugkeren, willen wij uitleggen wat wij volgens de opvatting van de Talmoedgeleerden gezegd hebben: dat onder de zeven voorschriften die aan de eerste mensen gegeven waren ook die goddelijke bepaling viel die hun de verering van afgoden verbood. Maimonides laat in Halacha Habodat Cochabin & Mazzaloth duidelijk zien dat een verkeerde godsdienst reeds in het allereerste begin van de wereld wortel had geschoten. Al in de tijd van Enosj begon men uit een zekere menselijke bijgelovigheid de sterren en planeten hoog te vereren, al was men nog niet geheel van de ware godheid afgevallen. Weldra echter werden tempels en beelden aan de sterren gewijd, want dwaling is vruchtbaar; totdat men ten slotte, met volledige verachting van de godheid, alle goddelijke verering uitsluitend aan de planeten gaf.
Latijn · Cunaeus
Antequam à diverticulo ad rem redeamus, libet nobis exponere quid illud sit, quod ex Talmudicorum sententia diximus, inter septem præcepta, quæ primis mortalibus data sunt, etiam hanc sanctionem numinis fuisse, quâ interdictus illis idolorum cultus est. Utique Maimonides in Halacha Habodat Cochabin & Mazzaloth luculenter ostendit, vitiosam religionem inter ipsa mundi initia inolevisse. etenim jam tum Enoschi tempore ex hominum quadam superstitione sidera planetasque in magno honore esse cœpisse, licet à vero numine nondum penitus desciscebatur. mox, ut est fœcunda res error, templa atque simulacra stellis consecrata esse, donec tandem, spreto planè numine, divinam religionem omnem planetis duntaxat tribuerunt.
Redactionele toelichting. Cunaeus’ eigen spelling van de Hebreeuwse boektitel in Latijnse letters blijft behouden. De blokken 06a-06c vormen één doorlopende uiteenzetting.
06bNoach en de bewaarders van de godsverering
Boek II, XIX | Gedrukt: 202 | Bron-PDF: 251 · Uitgave p. 12
Nederlands
De grote rabbijn maakt echter een uitzondering voor enkele personen: Chanoch, Metoesjelach, Noach, Shem en Ever. Zij hebben de ene God, die werkelijk de beste en grootste is, steeds met een zuiver, ongeschonden en onbedorven gemoed en stem vereerd. Hij spreekt immers over de dwaling die het menselijk geslacht beheerste en over het gebrek van die tijd.
Latijn · Cunaeus
Excipit tamen maximus Rabbinus paucos quosdam, Chanochum, Methuscelachum, Noachum, Semum, atque Heberum, qui Deum unum, eundemque verè optimum atque maximum semper purâ, integrâ, incorruptâ & mente & voce venerati sunt. De errore enim, qui mortale genus tenuit, deque seculi vitio loquitur.
Redactionele toelichting. Cunaeus noemt Noach onder de uitzonderingen op de verbreiding van afgoderij. Het vervolg over Abraham staat in 06c.
06cAbraham en de verbreiding van de hemelse leer
Boek II, XIX | Gedrukt: 202-203 | Bron-PDF: 251-252 · Uitgave p. 13
Nederlands
Abraham zelf, zegt hij, erkende God als zijn schepper pas heel laat, toen hij al veertig jaar oud was. In Ur van de Chaldeeën was hij immers ondergedompeld geweest in geestelijke duisternis en verblinding, te midden van bijgelovige mensen en afgodendienaars, en had hij samen met hen dezelfde waanzin gedeeld. Toen hij ten slotte door de godheid beter onderricht was, had hij getracht de Chaldeeën van hun onwetendheid omtrent de waarheid te bevrijden. Maar omdat de koning het op zijn leven had voorzien, was hij naar het woongebied van de inwoners van Charan uitgeweken. Vandaar was hij naar Kanaän gekomen, waar hij de hemelse leer zo succesvol onder de zijnen verspreidde dat Maimonides hem terecht ‘steunpilaar en grondslag van de wereld’ noemt.
Latijn · Cunaeus
Ipsum Abramum serò admodum, cum jam quadraginta annos natus esset, agnovisse ait Deum conditorem suum. fuisse enim eum in Ure Chaldæorum tenebris & caligine mentis demersum, inter homines superstitiosos, idololatrasque, atque unà cum illis eandem insaniam insanivisse. tandem verò, cum meliora edoctus à numine esset, studuisse eum inscitiam veri Chaldæis eximere: sed quoniam insidiis à rege petebatur, in Charanensium sedes eum concessisse, atque hinc in Cananæam venisse, ubi cœlestem doctrinam tam feliciter ad suos propagavit, ut jure eum Maimonides עמודו של עולם columen atque stabilimentum seculi appellet.
Redactionele toelichting. Het Hebreeuwse עמודו של עולם staat ook in facsimile B. Seculum heeft hier in de combinatie met dit Hebreeuws de strekking ‘wereld’. De passage geeft Cunaeus’ weergave van Maimonides, geen onafhankelijk vastgestelde levensbeschrijving van Abraham.
07Verplichting voor Noachs nakomelingen
Boek II, XIX | Gedrukt: 203 | Bron-PDF: 252 · Uitgave p. 14
Nederlands
Deze zeer verstandige schrijver heeft dit met groot onderscheidingsvermogen opgemerkt. Ook wij hebben het graag vermeld, omdat het licht kon werpen op de uitspraak van de Talmoedgeleerden die wij over die zeven voorschriften hebben weergegeven. Die verplichtten de nakomelingen van Noach zozeer dat, wanneer bepaalde volken weigerden de naleving ervan als vredesvoorwaarde te aanvaarden, de Joden bevolen werd hen geheel te vernietigen, als mensen die door barbaarsheid en onmenselijkheid verwilderd waren.
Latijn · Cunaeus
Hæc summo judicio animadvertit author cordatissimus. Neque nos ea referre piguit, quia illustrare Talmudicorum scitum poterant, quod de septem illis præceptis retulimus, quæ Noachi posteros ita obligabant, ut, si forte populi quidam inter pacis leges suscipere eorum observationem recusassent, eos Judæi exscindere penitus, tanquam barbarie atque immanitate efferatos, jussi sint.
Redactionele toelichting. Het onderwerp is de verplichting van Noachs nakomelingen in Cunaeus’ beschrijving van het oude oorlogsrecht. De woorden over vernietiging en barbaarsheid zijn zijn historische formulering. Zij zijn niet verzacht of als hedendaags voorschrift gepresenteerd.
08Ook de zeven Kanaänitische volken kregen een vredesaanbod
Boek II, XX | Gedrukt: 204 | Bron-PDF: 253 · Uitgave p. 15
Nederlands
Laten wij nu verder ingaan op andere zaken die Maimonides heeft aangevoerd ter uitleg van de woorden die wij kort tevoren uit het twintigste hoofdstuk van Deuteronomium hebben overgeschreven. Dat de hoogste God beveelt eerst vredesgezanten te sturen naar de volken tegen wie de Joden zich ten oorlog voorbereidden, geldt volgens het zeer overtuigende bewijs van die Egyptenaar ook voor de zeven volken wier welvarende woonplaatsen God aan de Israëlieten had beloofd. Dat gaat in tegen de opvatting van degenen die zeggen dat de godheid die volken zonder onderscheid en zonder mogelijkheid van uitzondering vogelvrij had verklaard.
Latijn · Cunaeus
Nunc porrò alia exequamur, quæ Maimonides ad interpretationem illorum verborum attulit, quæ nos paulò ante ex Deuteronomii capite vicesimo adscripsimus. Sanè quod legatos de pace prius mitti summus Deus ad eas nationes jubet, in quas Judæi arma parabant, id Ægyptius ille certissimo documento pertinere etiam ad septem populos evincit, quorum fortunatas sedes Israëlitis Deus promiserat. Quod quidem contra opinionem eorum est, qui sine discrimine, & nulla exceptionis lege factam à numine proscriptionem earum gentium ajunt.
Redactionele toelichting. Context bij 03 en 07. ‘Die Egyptenaar’ is Maimonides. De zeven volken zijn hier een andere groep van zeven dan de Zeven Geboden.
09Vrede aanvaarden of oorlog kiezen
Boek II, XX | Gedrukt: 204-205 | Bron-PDF: 253-254 · Uitgave p. 16
Nederlands
Maar een opmerkelijk getuigenis dat onze Maimonides aanhaalt uit hoofdstuk XI van het boek Jozua weerlegt hen. Daar staat ongeveer het volgende: ‘Geen stad sloot vrede met de Israëlieten, behalve de Chivieten van Gibeon. Alle overige werden in oorlog ingenomen. God had immers hun gemoed verhard om met de Israëlieten de strijd aan te gaan, opdat hij hen volkomen zou vernietigen en hun geen genade zou laten.’ Daaruit volgt nu juist dat die volken vernietigd zijn omdat zij liever hun geluk in de oorlog beproefden dan vrede te sluiten op de voorwaarden van de Israëlieten. Als zij naar de vredesgezanten hadden geluisterd, zou hun behoud geenszins onzeker zijn geweest.
Latijn · Cunaeus
Sed refellit eos insigne testimonium, quod Maimonides noster citat ex libro Josuæ, ex capite XI, ubi sic ferè scriptum est: Nulla fuit civitas, quæ pacem fecerit cum Israëlitis, præter Chivæos Gibonitas. Cæteri omnes bello capti sunt. Induraverat enim animos eorum Deus ad pugnam cum Israëlitis conserendam, ut internecione occideret eos, nec fieret illis gratia. Enimverò illud hinc efficitur, deletas propterea eas gentes esse, quia belli fortunam tentare, quam conficere pacem in Israëlitarum leges maluerunt. Quod si fecialibus auscultassent, utique jam salus earum neutiquam in dubio fuisset.
Redactionele toelichting. Aansluitend op 08; het ingesloten citaat is Cunaeus’ eigen benaderende Latijnse weergave van Jozua 11:19-20. De uitleg over het latere bedrog van de Gibeonieten die hierna volgt, valt buiten dit afgebakende fragment.
10Algemene menselijke normen en de Kanaänieten
Boek II, XX | Gedrukt: 205-206 | Bron-PDF: 254-255 · Uitgave p. 17
Nederlands
Dat de overwinning op die zeven volken anders werd uitgevoerd dan op de overige, zodat de wet daar de vernietiging van mannen, vrouwen en zelfs zuigelingen verlangde, terwijl bij de andere volken alleen de dood van de mannen als genoegdoening volstond, heeft deze reden: die zeven volken hadden zich algemeen en overal aan bepaalde bijzonder afschuwelijke misdaden schuldig gemaakt, waarvan het juiste verstand en de gemeenschappelijke menselijke natuur terugdeinzen en gruwen. Daarom geeft de hoogste God te kennen dat zij als het ware de afschuw en de last van de aarde waren geweest, wanneer hij in hoofdstuk XVIII van Leviticus, na dergelijke ondeugden te hebben opgesomd, ten slotte zegt: ‘Het land is verontreinigd; ik heb zijn ongerechtigheid eraan bezocht, en het land heeft zijn bewoners uitgebraakt.’
Latijn · Cunaeus
Porrò, quod in septem gentes illas victoria aliter exercita, quàm in cæteras, fuit, ita ut illic quidem exscindi viros fœminasque atque infantes etiam, hic verò sufficere expiationi solam virorum cladem lex voluerit, ea disparitas ab hac adeò causa est, quod septem illi populi vulgò & passim in sese flagitia quædam fœdiora admisere, à quibus recta ratio naturaque hominum communis refugit atque abhorret. Quare profectò summus Deus eos, veluti terræ odium onusque fuisse significat, cum in Levitici capite XVIII, enumeratis id genus vitiis, postremò ita fatur. Polluta est terra, & iniquitatem ejus ego visitavi adversus eam, & evomuit terra habitatores suos.
Redactionele toelichting. De Zeven worden in dit fragment niet opnieuw bij naam genoemd. Het is opgenomen wegens het directe verband met het voorafgaande betoog en het expliciete beroep op de rede en de gemeenschappelijke menselijke natuur.
11De bijzondere positie van Ammon en Moab
Boek II, XX | Gedrukt: 206 | Bron-PDF: 255 · Uitgave p. 18
Nederlands
Over de Ammonieten en Moabieten staat in hoofdstuk XXIII van Deuteronomium een afzonderlijk bevel, waarbij bepaald werd dat de Israëlieten hen nooit tot vrede mochten uitnodigen. Daar wordt ook de reden gegeven: zij hadden de Israëlieten, toen die uit Egypte kwamen, geen levensmiddelen gebracht; bovendien hadden zij de ziener Bilham voor veel geld ingehuurd om hun allerlei onheil toe te wensen. Maimonides voegt echter een voorbehoud toe dat hier moet worden overgeschreven: ‘Hoewel zij’, zegt hij, ‘geen vredesgezanten naar hen stuurden, wezen zij hen toch niet af wanneer zij zelf uit eigen beweging vrede verlangden.’
Latijn · Cunaeus
De Ammonitis & Moabitis edictum singulare exstat in Deuteronomii capite XXIII, quo cautum fuit ne eos unquam Israëlitæ ad pacem solicitarent. & causa ibidem editur ejusmodi, quia commeatum Israëlitis non advexerant ex Ægypto venientibus, tum & quod Bilhamum vatem magnâ mercede conduxerant, qui omnia infausta eis auguraretur. Subjicit autem quandam cautionem Maimonides, quæ huc transscribenda est. [Hebreeuwse aanhaling: facsimile C.] Etsi, inquit, legatos de pace non mittebant ad eos, tamen si sponte suâ initio eam cuperent, non repellebant eos.
Redactionele toelichting. De Hebreeuwse aanhaling tussen beide Latijnse gedeelten is bewaard in facsimile C; Cunaeus geeft zelf de Latijnse vertaling ervan. Dit fragment completeert de bijzondere toepassing op deze twee volken.
12Noach en het verbod bloed te eten
Boek II, XXIV | Gedrukt: 232 | Bron-PDF: 281 · Uitgave p. 19
Nederlands
Toch staat vast dat er ook al eerder, in de eerste tijd van de wereld, bepaalde godsdienstige voorschriften en ceremoniën bestonden. Noach had immers van God het onderscheid tussen reine en onreine dieren geleerd; en hem werd onder dreiging verboden bloed te eten. Maar de wet die door Mosjee werd gegeven, heeft dit alles nauwkeuriger afgebakend. In het elfde hoofdstuk van Leviticus staat bijvoorbeeld een lange opsomming van de dieren waardoor de Hebreeën zich bij het eten of aanraken ervan zouden verontreinigen. Veel zaken zijn daar onder de onreine dingen gerangschikt, niet op grond van een uitspraak van de natuur of de rede, maar krachtens de bepaalde wil van God.
Latijn · Cunaeus
Quanquam profectò etiam tum antea, primo seculo, sacrorum extitisse quasdam sanctiones, cæremoniasque certum est. Nam & animantium mundorum immundorumque discrimen divinitus didicerat Noachus: & idem ille vesci sanguine vetabatur minaci interdictione. Sed lex, quæ à Mose lata est, magis accuratè hæc cuncta suis finibus terminavit. Utique in capite undecimo Levitici, longa extat numeratio earum animantium, quarum esu tactuve polluerentur Hebræi. Multa illic in censu impurorum posita sunt, non naturæ aut rationis dictamine, sed in certa numinis voluntate.
Redactionele toelichting. Aanvullende expliciete Noach-passage. Cunaeus onderscheidt hier voorschriften uit de vroegste tijd van de later nauwkeuriger uitgewerkte wet van Mosjee. Hij presenteert niet alle reinheidsbepalingen als algemeen natuurrecht.
Overige Noach-vermeldingen
De blokken 13–17 gaan over het altaar, de zondvloed, Noachs zonen en de geloofsgemeenschap. Zij zijn geen zelfstandige opsommingen van de Zeven Geboden.
13Noachs altaar: een door Cunaeus verworpen traditie
Boek II, XII | Gedrukt: 170 | Bron-PDF: 217 · Uitgave p. 20
Nederlands
Volstrekt ongegrond, en uit te fluiten, is wat rabbi Eliëzer in zijn hoofdstukken op grond van de gangbare Joodse opvatting heeft meegedeeld: dat de berg waarop de tempel van Jeruzalem stond precies dezelfde is waarop Adam, de eerste vader van de mensen, offers bracht; dat Abel en Kaïn vervolgens daar hun gaven aan de godheid aanboden; dat ook Noach daar een altaar oprichtte toen hij de ark verliet; en dat Abraham, op hemelse aanwijzing, daarheen ging om zijn zoon te offeren.
Latijn · Cunaeus
Vanissimum est, & exibilari debet, quod Rabbi Eliezer in capitulis suis ex communi Judæorum opinione prodidit, montem, in quo ædes Jerosolymitana stetit, hunc ipsum esse, in quo primus hominum parens Adamus sacra fecit: atque ibidem mox Abelum, Cainumque munera sua numini obtulisse. rursus verò & Noachum illic altare posuisse, cum ex arca egrederetur: & Abramum cœlestibus monitis huc profectum fuisse, uti filium mactaret.
Redactionele toelichting. Dit fragment noemt Noach expliciet, maar bevat geen opsomming van Noachitische geboden. De afwijzende openingswoorden behoren tot het citaat: Cunaeus onderschrijft deze traditie hier niet.
14Noach als verkondiger van gerechtigheid
Boek III, II | Gedrukt: 269 | Bron-PDF: 318 · Uitgave p. 21
Nederlands
Er was nog één man over, Noach, vrij van misdaden. De heilige Petrus noemt hem een verkondiger van gerechtigheid, omdat God zijn stem gebruikte om de goddelozen tot bezinning te brengen. Hun werd een termijn van honderdtwintig jaar gegeven waarbinnen zij tot inkeer moesten komen. Zo moet beslist worden verstaan wat in het zesde hoofdstuk van Genesis wordt gezegd. Flavius Josephus heeft die woorden namelijk ten onrechte naar een andere betekenis verdraaid.
Latijn · Cunaeus
Supererat adhuc unus Noachus, vir scelerum purus; quem D. Petrus præconem appellat justitiæ, quia voce illius usus est Deus, uti ad sanam mentem flecteret nefarios. Datum illis est spatium centum & viginti annorum, intra quod resipiscerent. Omnino sic accipiendum est id, quod dicitur in sexto capite Geneseos. Nam Flavius quidem Josephus perperam hæc verba in alium sensum detorsit.
Redactionele toelichting. Cunaeus bespreekt de tijd vóór de zondvloed en verwijst naar Genesis 6 en naar Petrus’ aanduiding van Noach (2 Petrus 2:5). Hier staat geen afzonderlijke lijst van zeven voorschriften.
15Na de zondvloed: Noach en zijn zonen
Boek III, II | Gedrukt: 270 | Bron-PDF: 319 · Uitgave p. 22
Nederlands
Van de vele duizenden waren slechts enkelen overgebleven. God had hen als zaad behouden om het verlies van het menselijk geslacht door nieuw nageslacht te herstellen. Weldra herstelde Noach de juiste verering van de godheid. En opdat hij geen tweede zondvloed zou vrezen, werd hem bevolen naar de regenboog te kijken en op dit heilige teken te vertrouwen. De geloofsgemeenschap bestond toen uit weinig mensen. Toch behaagde deze ongedeelde menigte God niet. Opnieuw vond een beperking tot een kleiner aantal plaats. Want hoewel Noach drie zonen had verwekt, Shem, Cham en Jafet, bleef de geloofsgemeenschap alleen in het geslacht van Shem.
Latijn · Cunaeus
De tot modò millibus pauci supererant, quos Deus reliquerat in semen, uti humani generis jacturam novâ sobole repararet. Mox instauravit rectum numinis cultum Noachus: &, ne diluvium alterum formidaret, intueri Iridem, atque huic fidere sacramento jussus fuit. Erat Ecclesia tunc paucorum hominum. Et tamen displicuit Deo indiscreta multitudo. Iterum in minorem numerum contractio fit. Etenim, cum Noachus tres filios, Semum, Chamum, & Jephetum genuisset, in unius Semi stirpe Ecclesia hæsit.
Redactionele toelichting. Ecclesia is vertaald als ‘geloofsgemeenschap’. Het is Cunaeus’ christelijke geschiedopvatting die hier spreekt; deze genealogische passage is te onderscheiden van de algemene gelding van de Zeven in 01 en 07.
16De lijn van Noach tot Abraham en de volken
Boek III, II | Gedrukt: 272-273 | Bron-PDF: 321-322 · Uitgave p. 23
Nederlands
Uit Adams kinderen werd alleen Set, uit diens geslacht Noach, uit Noachs zonen Shem, uit diens nageslacht Abraham, en ten slotte uit Abrahams talrijke nakomelingen alleen Isaak welgevallig bevonden en uitgekozen, opdat zijn familie zich op onuitsprekelijke wijze, als het ware door erfopvolging, de naam en waardigheid van de geloofsgemeenschap zou toe-eigenen. De overige volken werden als onheilig door de godheid verworpen en achtergesteld, totdat de Messias de wereld binnentrad, de scheidsmuur neerhaalde en bewerkte wat lang tevoren aan Abraham beloofd was: dat door zijn nageslacht aan alle volken zonder onderscheid het verhoopte heil zou worden gegeven.
Latijn · Cunaeus
Ex Adami liberis tantum Sethus, ex hujus stirpe Noachus, ex Noachi filiis Semus, ex illius posteritate Abramus, ac postremò ex numerosâ Abrami sobole unus Isacus placuit electusque est, cujus familia, Ecclesiæ nomen atque dignitatem ineffabili ratione, velut per successionem, sibi vindicaret. Cæteræ gentes, tanquam prophanæ, spretæ à numine, posthabitæque sunt, donec Messias terrarum orbem ingressus, intergerinum disjecit parietem effecitque, quod dudum Abramo promissum fuerat, uti per sobolem ejus cunctis nationibus sine discrimine daretur sperata salus.
Redactionele toelichting. Het fragment loopt door over de paginagrens en eindigt vóór hoofdstuk III. Deze christologische uitleg van heil voor de volken is geen herformulering van de Zeven Geboden; zij is opgenomen als expliciete Noach- en volkencontext.
17Shem, de zoon van Noach, en Melchisedek
Boek III, III | Gedrukt: 281-282 | Bron-PDF: 330-331 · Uitgave p. 24
Nederlands
Laten wij nu ten slotte zeggen wat voor ons het eerste en voornaamste van alles is. Het lijdt geen twijfel dat de Joden al in de tijd van de apostel door een verkeerd ingeroepen geest tot die dwaling waren gebracht, zodat zij meenden wat men tegenwoordig in hun geschriften leest: dat Melchisedek Shem was, de zoon van Noach, die tot in de tijd van Abraham en Isaak in leven was gebleven.
Latijn · Cunaeus
Nunc tandem illud dicamus, quod rerum omnium primum maximumque nobis est. Haud dubium est, quin Judæos jam tum Apostoli ævo genius aliquis male advocatus in eum detruserit errorem, uti existimarent, id quod hodie in scriptis eorum legitur, Melchisedecum fuisse filium Noachi, Semum, qui ad tempora usque Abrami Isacique superstes fuerit.
Redactionele toelichting. Cunaeus verwerpt hier de identificatie van Melchisedek met Shem. Dit is een genealogische en christologische vermelding van Noach, geen zelfstandig getuigenis over de Zeven Geboden.
Hoofdstukaankondigingen
Deze korte aankondigingen behoren tot Cunaeus’ boek. De herhaling in de inhoudsopgave telt niet als een afzonderlijke inhoudelijke passage.
Boek I, hoofdstuk I
Hoofdstukkop: gedrukt [1], bron-PDF 37. Inhoudsopgave: ongenummerd, bron-PDF 21; daar staat de variant Noahi.
Nederlands
De zeven voorschriften, gegeven aan de zonen van Noach.
Latijn · Cunaeus
Septem præcepta Noachi filiis data.
Boek II, hoofdstuk XIX
Hoofdstukkop: gedrukt 197, bron-PDF 246. Ook in de ongenummerde inhoudsopgave, bron-PDF 32.
Nederlands
Wat de Talmoedgeleerden over de zeven voorschriften overleveren, die door alle volken moesten worden nageleefd.
Latijn · Cunaeus
Quid illud sit, quod Talmudici de septem præceptis tradunt, quæ servanda omnibus gentibus fuere.
[1] is een uit de paginavolgorde afgeleid nummer: op de openingspagina is geen paginacijfer afgedrukt.
Bronverantwoording
Petrus Cunaeus, Petri Cunæi De republica Hebræorum, libri III. Editio novissima. Curiæ: sumptibus Johannis Brendelii; typis Gottofredi Minzelii, 1666.
Het Latijn volgt ongewijzigd de transcriptie in de aangeleverde tweetalige uitgave. Daarin is de lange s als s weergegeven en zijn woorden over regeleinden samengevoegd. Spelling, ligaturen, accenten en formuleringen zijn behouden. De HTML verandert alleen de tekstindeling; in het Nederlands is ‘Sjem’ consequent weergegeven als ‘Shem’.
Ronde 1 is een eerste inventarisatie. De blokgrenzen zijn redactioneel. De bron-PDF-paginering volgt het in de uitgave gebruikte bestand van 421 pagina’s, inclusief voorwerk en blanco’s; zij kan afwijken van de telling in een andere scanviewer.
Bekijk de oorspronkelijke historische bron · Internet Archive
De historische scan is de primaire bron voor controle. De download hieronder is de afzonderlijke tweetalige uitgave van 28 pagina’s.
Download de volledige PDF-uitgaveVerwijzen naar deze uitgave
Petrus Cunaeus, De republica Hebraeorum (1666), boek en hoofdstuk, gedrukte pagina; Nederlandse vertaling in Petrus Cunaeus en de Zeven Noachitische Geboden, Ronde 1, versie 1.0 (2026), bloknummer.