Door de hulp van de Eeuwige Ene

Hugo Grotius, De iure belli ac pacis: Prolegomena

Luisterfragment

Listening Excerpt

Prolegomena icoon

De iure belli ac pacis: Prolegomena

Inleiding

De Prolegomena van De iure belli ac pacis vormen de methodologische inleiding waarin Grotius het natuurrecht beschrijft als een universele morele orde, geldig voor alle volken, die het samenleven van mensen mogelijk maakt nog vóórdat sprake is van bijzondere wetgeving of openbaring. Deze selectie richt zich op passages over natuurrecht en menselijke samenleving, vanwege hun aansluiting bij de Noachitische traditie.

Hugo de Groot (Grotius) neemt in de Nederlandse geschiedenis een bijzondere plaats in. Als rechtsgeleerde, denker en staatsman zocht hij naar een fundament voor recht en samenleving dat niet afhankelijk was van macht, partij of confessionele dwang, maar geworteld was in de menselijke natuur zelf. Zijn formulering van het natuurrecht was bedoeld als universele maatstaf, geldig voor alle mensen en volken, ook daar waar geen bijzondere wet of openbaring werd erkend.

Juist die universele gerichtheid maakte zijn denken kwetsbaar in een tijd van politieke en religieuze spanningen. Grotius werd vervolgd, gevangengezet en uiteindelijk gedwongen zijn vaderland te verlaten. Zijn ontsnapping verborgen in een kist die over het water werd weggevoerd is meer dan een historisch detail, zij draagt een bijna symbolische lading. Het is het beeld van een denker die, gedragen door water, aan vernietiging ontsnapt om elders voort te leven. In die zin heeft zijn levensweg iets profetisch, zonder dat dit gezocht of opgelegd hoeft te worden.

In zijn natuurrechtelijke denken klinkt een ethiek door die sterk herinnert aan wat in de Noachitische traditie wordt verstaan als universele morele orde: rechtvaardigheid, maatschappelijke samenhang, begrenzing van geweld en eerbied voor het leven. Grotius noemt deze wetten geen Noachitische geboden, maar hij beschrijft dezelfde morele werkelijkheid in filosofisch-juridische termen. Wat in de Noachitische overlevering aan Noach wordt toegeschreven, verwoordt Grotius als natuurrecht.

Dat Grotius in zijn eigen tijd werd gekend en beschreven door tijdgenoten, onder wie A. van der Venne, onderstreept zijn plaats in het intellectuele landschap van de Republiek. Hij was geen randfiguur, maar een man van het midden, die juist door zijn trouw aan recht en rede buiten de orde werd geplaatst.

In deze webuitgave spiegel ik daarom vooral die passages uit De iure belli ac pacis waarin Grotius spreekt over natuurrecht en menselijke samenleving. Niet om hem te herlezen als iets wat hij niet was, maar om zichtbaar te maken hoe zijn denken aansluit bij een universele ethiek die ouder is dan staten en systemen, en die in de Noachitische traditie haar naam heeft gekregen.

De hier weergegeven paragrafen vormen niet het gehele natuurrechtelijke betoog van Grotius, maar wel de kern waarin hij het natuurrecht fundeert als universele orde die menselijke samenleving mogelijk maakt. In die zin sluiten zij inhoudelijk aan bij wat in de Noachitische traditie wordt verstaan als universele morele wet.

§16 icoon
§16 Nederlands

Wat dus wordt gezegd, niet alleen door Carneades maar ook door anderen: Nut is bijna de moeder van recht en billijkheid als wij nauwkeurig spreken, is dat niet waar. Want de moeder van het natuurrecht is de menselijke natuur zelf, die ons, zelfs indien wij niets nodig hadden, zou drijven tot het zoeken van wederzijdse samenleving. De moeder van het burgerlijke recht daarentegen is de verplichting die uit instemming voortkomt; en omdat deze haar kracht ontleent aan het natuurrecht, kan de natuur ook van dit recht als het ware de overgrootmoeder worden genoemd.

§16 Latijn

Quod ergo dicitur non Carneadi tantum, sed et aliis, Utilitas iusti prope mater et aequi, si accurate loquamur, verum non est: nam naturalis iuris mater est ipsa humana natura, quae nos etiamsi re nulla indigeremus ad societatem mutuam appetendam ferret: civilis vero iuris mater est ipsa ex consensu obligatio, quae cum ex naturali iure vim suam habeat, potest natura huius quoque iuris quasi proavia dici.

§17 icoon
§17 Nederlands

Wat wij echter hebben gezegd, namelijk dat het natuurrecht bestaat en ook gelding heeft onder hen die God niet erkennen of ontkennen dat Hij zich met menselijke zaken bezighoudt, dat hoeft geenszins te verbazen; want de menselijke natuur zelf, zelfs indien zij God niet zou kennen, drijft ons tot samenleving, die zonder recht niet kan bestaan.

§17 Latijn

Quod autem diximus, ius naturale esse, etiam inter eos locum habere, qui Deum aut non agnoscunt aut curare humana negant, id minime mirum videri debet; cum ipsa natura humana, etiamsi Deum ignoraret, ad societatem nos impellat, quae sine iure consistere non potest.

§18 icoon
§18 Nederlands

En deze gerichtheid op samenleving, die eigen is aan de mens en die met het verstand verbonden is, heeft het natuurrecht voortgebracht; waaruit die regels ontstaan die zonder enig verdrag tussen mensen gelden, en die ook in tijden van oorlog van kracht zijn.

§18 Latijn

Et haec societatis appetentia, quae proprie hominis est, et quae cum intellectu coniuncta est, ius naturale produxit, ex quo nascuntur illa, quae sine ullo pacto inter homines obtinent, quaeque etiam in bellis locum habent.

Latijnse brontekst: Hugo Grotius, De iure belli ac pacis (1625), Prolegomena §§16–18. Publiek domein.

Spiegelvertaling en redactie: Efraim van der Vennen. Gepubliceerd onder CC BY-NC-SA 4.0.

Scroll naar boven